Betekenis thuis

Op deze pagina vind je 5 verschillende betekenissen of definities van het woord 'thuis’, geordend van meest populaire betekenis naar minst populaire. Indien je zelf nog een definitie of synoniem kent, kan je deze onderaan deze pagina toevoegen.

1 0

Thuis

Binnen, Domicilie, Lokaliteit, Residentie, Verblijf, Verblijfplaats, Woning, Woon, Woonst, Woonstede, Woonstee; Haardstede, Tehuis, Woonplaats; Bedreven, Bekwaam, Bevaren, Deskundig, Doorkneed, Ervaren, Geoefend, Geroutineerd, Geverseerd, Habiel, Kundig, Vaardig, Valabel, Volleerd

2 0

thuis

een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
VB: Hier vindt zelfs deze zeldzame vlinder een thuis.

3 0

thuis

op de eigen stek
VB: Hij was thuis.

4 0

thuis

bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
VB: thuisbrengen: Hij bracht zijn moeder even thuis.

5 -1

thuis

Te gebruiken voor het middelpunt van iemands huishouding, dierbare relaties en interesses, samen met het comfortabele en tevreden gevoel dat hierbij wordt opgewekt. Gebruik 'woningen' voor gebouwen of delen van een gebouw die zijn ontworpen om één familie te huisvesten.

Voeg in onderstaand formulier een betekenis van het begrip thuis toe. Velden met een ster (*) zijn verplicht!